|
Publicaties van het CWRL
I. De Acta van het Centrum voor Wetgeving, Regulering
en Legisprudentie.
De Acta van het
Centrum voor Wetgeving, Regulering en Legisprudentie vormen een
boekenreeks die wordt gepubliceerd door uitgeverij Die Keure
te Brugge.en door uitgeverij Larcier te Gent.
De boekenreeks bevat publicaties die resulteren uit
colloquia, studiedagen en onderzoeksprojecten die door het C.W.R.L.
worden georganiseerd.
De reeks bevat ook boeken over algemene onderwerpen in
domein van de wetgevingstheorie (legistiek,wetgevingsleer).
Redactieraad
Gepubliceerde volumes:
1. L. J. Wintgens (red.), Het Wetsbegrip, in Acta van het Centrum voor Wetgeving,
Regulering en Legisprudentie, 1, Brugge, Die Keure, 2003,
271 p.
 |
Zowel voor wat de
natuurwetenschappen als het rechtsdenken betreft, is het wetsbegrip een
uitvinding van de Moderniteit. Sinds de 18e eeuw heeft het wetsbegrip
in het recht een aantal evoluties ondergaan, van een sterke
verabsolutering in de 19e eeuw tot een kritische invraagstelling in de
20e eeuw. |
Ondanks de kritiek op een strikt legalistisch denken,
redeneert de jurist nog steeds vanuit de wet als quasi-exclusieve bron
voor juridische probleemoplossing. Het wetsbegrip was het
overkoepelende thema van de eerste lezingencyclus die werd
georganiseerd door het Centrum voor Wetgeving, Regulering en
Legisprudentie.
In dit boek wordt het wetsbegrip bevraagd vanuit drie
perspectieven. Het eerste is een historische en wijsgerige bevraging
naar de grondslagen van het hedendaagse wetsbegrip. Deze vraagstelling
wordt in een tweede onderdeel aangevuld met een belichting van het
rechtsbegrip vanuit het internationale, het Europese en het Belgische
perspectief. In het derde onderdeel komen het rechtstheoretische en het
rechtsstatelijke perspectief aan bod. De lezingen werden herwerkt en
gebundeld in deze publicatie.
Zowel het praktische als het theoretische aspect van
het wetsbegrip worden erin behandeld. Op deze wijze wil het boek een
bijdrage leveren tot een kritische reflectie op een begrip dat
fundamenteel is voor het hedendaagse recht, doch ook sterk
gecontesteerd wordt. De overbevraging van de wet om het complexe
maatschappelijke weefsel te ordenen of te sturen maakt dat dient te
worden uitgekeken naar de mogelijke herbronning van de wet. Het
wetsbegrip is immers geen statisch gegeven, maar integendeel een
evoluerende werkelijkheid.
2. L. J. Wintgens (red.), De adviesbevoegheid van de Raad van State
- La compétence d'avis du Conseil d'Etat, in Acta van het Centrum voor Wetgeving,
Regulering en Legisprudentie, 2, Brugge, Die Keure, 226p.
 |
Door zijn
onafhankelijkheid neemt de Raad van State een unieke positie in, ver
van het politieke gekibbel dat het wetgevingsproces kenmerkt. Naast
toetsing van de wettigheid zal de Raad niet zelden andere vormen van
kwaliteitscontrole doorvoeren, meer in het bijzonder met betrekking tot
het taalgebruik in de formulering van de normen. Tegelijkertijd kan de
Raad wijzen op overlappingen, contradicties of onduidelijkheden die in
de teksten zouden voorkomen. |
De overbelasting van de Raad van State is ondertussen
een vaststaand gegeven. Daarnaast wordt ook nog aangevoerd dat de
wetgevende of uitvoerende macht die om het advies verzoekt, dit te vaak
naast zich neerlegt. Het resultaat hiervan is dat de uitgebrachte
adviezen aan belang inboeten. Het feit dat de bedoeling van de
regelgever en het advies van de Raad van State vaak tegen elkaar
ingaan, is gelegen in het politieke besluitvormingsproces zelf.
Regelgeving ligt ingebed in het politieke systeem, dat werkt op basis
van geven en nemen. Dergelijke compromissen missen de rechtlijnigheid
van een consequente regelgeving, uitgaande van een vooraf bepaald
beleid dat in regels dient te worden omgezet.
En die regels zijn er in overvloed. De normenvloed in de meeste
Westerse rechtssystemen is al zo vaak aangeklaagd dat een herhaling
hiervan nauwelijks nog effect zou hebben. Nochtans kan worden
voorgehouden dat de inschakeling van een instantie als de afdeling
Wetgeving van de Raad van State als een rem op die overproductie kan
fungeren. Hoe symbolisch een dergelijke rem ook moge zijn, het feit dat
er een advies dient te worden ingewonnen kan de regeldrift toch nog
enigszins inperken.
Het is in dit perspectief dat de Raad van State als een partner van de
wetgevers of executieves optreedt. Een dergelijk partnership kan
resulteren in een verbetering van de kwaliteit van de regelgeving, iets
wat de regering met haar nieuwe regeling op de adviesbevoegdheid van de
Raad van State niet wenst te optimaliseren.
In dit boek worden een aantal aspecten van de adviesbevoegdheid van de
Raad van State kritisch bestudeerd. De inhoud van dit boek loopt langs
vier assen: een historische, een grondwettelijke, een wettelijke en een
rechtsvergelijkende as.
inhoudstafel
3. L. J. Wintgens (red.), De verplichting tot bekendmaking van de
norm, in Acta van het Centrum
voor Wetgeving, Regulering en Legisprudentie, 3, Brugge, Die
Keure, 2003, 307p.
 |
Dat normen dienen te
worden bekendgemaakt om te kunnen worden gevolgd door degenen van wie
een bepaald gedrag verlangd wordt, behoort tot de vereisten van de
rechtsstaat. De vereisten waaraan die publicatie dient te voldoen zijn
echter niet voor elke norm dezelfde. De grote variatie aan normen die
in ons rechtssysteem worden uitgevaardigd en de varianten op de
bekendmakingsverplichting vormen het uitgangspunt en het thema van deze
bundel. |
Na een historische inleiding op de verplichting tot
bekendmaking van de norm, wordt het grondwettelijk kader geschetst,
waarna de bekendmakingsverplichting van de belangrijkste soorten normen
door verschillende auteurs onder de loupe wordt genomen.
Er werd een hoofdstuk aan toegevoegd dat een selectief overzicht
inhoudt van de rechtspraak terzake, alsmede een hoofdstuk met
betrekking tot de bekendmaking van de regel en de toepassing ervan in
de tijd. Het geheel wordt afgesloten met een hoofdstuk over de
bekendmaking van normen via elektronische media.
Op deze wijze werd ernaar gestreefd een zo volledig mogelijk overzicht
te bereiken van de regels die gelden inzake de bekendmaking van normen.
Eerder dan een encyclopedisch geheel tot stand te brengen werd getracht
een zo systematisch mogelijk inzicht te bieden.
Dit boek is het resultaat van een samenwerking tussen verschillende
Vlaamse rechtsfaculteiten enerzijds en praktijkjuristen anderzijds.
Deze samenwerking levert het belangrijke voordeel op dat verschillende
gezichtspunten op deze problematiek aan de orde worden gesteld. Dat
daardoor hier en daar overlappingen tussen de bijdragen voorkomen kan
eerder als een verrijking dan als een nadeel van het geheel worden
beschouwd.
Met deze samenwerking werd getracht een werk tot stand te brengen dat
als geheel informatief en instructief is voor de rechtspracticus.
inhoudstafel
II. Andere publicaties van het CWRL
L.J. Wintgens (red.), The Theory and Practice of
Legislation. Essays in Legisprudence, Aldershot, Ashgate, 2005, 352 p.
 |
|
In dit boek wordt een
rationeel kader aangereikt voor de tostandkoming van wetgeving. De
achterliggende premisse is dat wetgeving en regulering het voorwerp van
rationele studie kan uitmaken, spijts het feit dat zij het product zijn
van politiek handelen. Het boek richt de aandacht op problemen die
gemeenschappelijk zijn in de meeste Europese rechtssystemen, en past
het begrippenapparaat van de rechtstheorie toe op problemen van
wetgeving. Op die manier wordt het blikveld van de jurist verruimd van
een “rechtersstandpunt” naar een “wetgeversstandpunt”. De bijdragen in
dit boek zijn originele teksten die in hun onderling verband een nieuw
inzicht aanbrengen in de relatie tussen problemen met betrekking tot
wetgeving en rechtstheorie. |
inhoudstafel
M. Adams en L.J. Wintgens
(red.), Wetgeving in theorie en praktijk. Wetgevingstheorie -
legisprudentie, Antwerpen/Apeldoorn, Maklu, 1994, 194 p.
 |
In dit boek wordt de
aanzet gegeven voor een meer structurele bestudering van wetgeving als
zelfstandig onderzoeksobject. De teksten die in dit boek zijn
samengebracht weerspiegelen de reflectie van een aantal auteurs die in
het domein van de wetgeving, het publiekrecht en de rechtstheorie
actief zijn. |
De publicatie van de teksten heeft tot doel om de
bestudering van het verschijnsel wetgeving meer onder de aandacht te
brengen, en zodoende een nieuwe onderzoekscultuur tot stand te brengen.
Deze onderzoekscultuur staat in Vlaanderen nog in zijn kinderschoenen.
Weliswaar is wetgeving het gereedschap bij uitstek van de jurist, als
zelfstandig object van onderzoek werd het tot het begin van de jaren 90
nog niet erkend. Publicaties in dit domein lijken dan ook eerder
bijproducten van het reguliere onderzoekswerk dan dat ze het resultaat
zijn van een gericht en structureel onderzoeksengagement.
inhoudstafel
L. J. Wintgens, Droit, principes et théorie.
Pour un positivisme critique, Brussel, Bruylant, 2000, 185 p.
 |
In dit boek worden de
grondlijnen verkend van een rechtshteoretische studie van de wetgeving.
In hedendaagse rechtsordes wordt het recht tot stand gebracht op basis
van rechtsregels. Er wordt onderzocht welke rechtsbegrippen voorhanden
zijn, en welke er de voor- en nadelen van zijn. De beperking van de
rechtstheorie tot een discours over de toepassing van regels wordt
hierin bekritiseerd. Er wordt een aanzet gegeven tot de ontwikkeling
van een coherentietheoretisch model van het rechtsdenken, waarin zowel
beginselen als regels een rol spelen. Regels en beginselen vormen een
coherent geheel, waarbinne zowel de rechter als de wetgever als actoren
optreden. |
inhoudstafel
L.J. Wintgens, Rechtspositivisme en wetspositivisme.
Een rechtsfilosofische en rechtshteoretische analyse, Brussel,
Story-Scientia, 1991, 296 p.
 |
In dit werk wordt het
onderscheid geanalyseerd tussen twee vormen van positivisme die in het
algemeen door elkaar worden gebruikt. In het eerste deel van het werk
wordt het onderscheid uiteengezet en de probleemstelling ingeleid. In
een tweede deel wordt onderzocht in welke mate "rechtspositivisme" en
"wetspositivisme" kunnen worden teruggevonden in het werk van
historisch belangrijke theoretici (Aristoteles, Hobbes, Rousseau). |
In het derde deel wordt een kritische analyse gemaakt
van het werk van een aantal auteurs uit de na-oorlogse periode. Een
aanzet daartoe vormt het rechtsbegrip dat tijdens de Nazi-periode in
Duitsland overheerste, met name het rechtspositivisme.In dit werk wordt
het onderscheid geanalyseerd tussen twee vormen van positivisme die in
het algemeen door elkaar worden gebruikt. In het eerste deel van het
werk wordt het onderscheid uiteengezet en de probleemstelling ingeleid.
In een tweede deel wordt onderzocht in welke mate "rechtspositivisme"
en "wetspositivisme" kunnen worden teruggevonden in het werk van
historisch belangrijke theoretici (Aristoteles, Hobbes, Rousseau). In
het derde deel wordt een kritische analyse gemaakt van het werk van een
aantal auteurs uit de na-oorlogse periode. Een aanzet daartoe vormt het
rechtsbegrip dat tijdens de Nazi-periode in Duitsland overheerste, met
name het rechtspositivisme. Vervolgens wordt ingegaan op de reacties
die in de na-oorlogse periode ontstonden. In het licht daarvan kan een
onderscheid gemaakt worden tusen het gematigde wetspositivisme en het
radicale wetspositivisme. Een vergelijking tussen deze theorieën
leert dat het gematigde wetspositivisme een vorm van positivisme is die
een aanvaardbaar midden houdt tussen de positiviteit van het recht
enerzijds en een natuurrechtsdenken anderzijds. Dit vormt het
uitgangspunt van het vierde en laatste deel, waarin een diepergaande
studie wordt gemaakt van wat onder gematigd wetspositivisme kan worden
verstaan. De conclusies hieruit kunnen worden betrokken op het leerstuk
inzake rechtsmisbruik, waarvan een theorie wordt voorgesteld.
inhoudstafel
L. J. The Law in Philosophical Perspective. My
philosophy of law, Dordrecht, Kluwer, 1999,
Inhoudstafel
|